We gaan allemaal een keer dood. Toch is dat hetgeen waar we het minst mee bezig willen zijn. Doodgaan is taboe. Terwijl dat iets is waar we allemaal voor staan. De ene wat eerder dan de ander.

De afgelopen week zat ik aan het sterfbed van een klant. Hij had gevraagd of ik bij hem wilde komen. We spraken over het leven en de dood. Ik vroeg hem of er nog dingen waren die hij graag had willen doen of zeggen en hij kon niets meer verzinnen. Hij was er klaar voor. We haalden mooie herinneringen op en ik vertelde hem dat dit zijn nalatenschap is. Hoe mensen zich hem herinneren. Zijn reïncarnatie is dat wat voortleeft in de herinneringen van de mensen die hem kenden.

Toen ik wegging zeiden we alleen nog ‘dag’. De dokter zou de volgende dag komen voor het euthanasietraject.

Dood

Op diezelfde dag overleed de opa van mijn kinderen. Hij was al een tijd dement en een valpartij werd zijn genadeklap. Zo werd de dood een thema deze week.

Zelf ben ik regelmatig bezig met mijn dood. Ik ben alleenstaand en wil mijn kinderen zo min mogelijk belasten met regelwerk rondom mijn sterven. Om de zoveel tijd kijk ik na wat ik heb geregeld en of het nog klopt of anders kan. Ik ben me bewust van mijn sterfelijkheid en daarmee van mijn leven. Want dat is er nu. Ik leef nu! Het maakt dat ik nadenk over mijn nalatenschap, mijn reïncarnatie. Hoe wil ik herinnerd worden? Wat kan ik nu doen om de mens te zijn die ik wil zijn? En net als alles en iedereen in het leven, verandert dat ook.

Iets komt op, blijft enige tijd en verandert weer in iets anders. Ook jij en ik.